Wat weet ik van het Praktijkonderwijs?

Wat weet ik van het Praktijkonderwijs?

In november 2018 zet ik de auto neer op een parkeerterrein naast de Brêge van het Piter Jelles. Een van de twee praktijkscholen in Leeuwarden. Er lopen kinderen rond van een jaar of veertien. Bij binnenkomst word ik door de school direct naar een kantoor gebracht. Ik vang een glimp op van de school. Kinderen van verschillende leeftijden lopen rond en praten en lachen. Tijdens het gesprek met de teamleider laat ik mijn onkunde blijken. Ik heb geen idee hoe het er aan toe gaat. Ik betrap mijzelf op een licht schaamte gevoel. Als intern begeleider en directeur heb ik de praktijkschool aangeraden en ben zelf nooit wezen kijken. 

De teamleider, Helga Moll, doet een prachtig voorstel: ‘Ik ga een presentatie geven met mijn collega Cobie over het Praktijkonderwijs en dan nodig jij leerkrachten uit het basisonderwijs uit’. Zo gezegd zo gedaan. Afgelopen donderdagavond was er een zaal vol met geïnteresseerde leerkrachten. 

‘De leerling staat op 1’.

Na de presentatie had ik duidelijk een ander gevoel en beeld bij de praktijkschool. Helpend daarbij is de bevlogenheid van Helga en Cobie. Het is overduidelijk dat er veel idealisme te zien was bij beide. De zin: ‘de leerling staat op 1’ is een paar keer genoemd. Tijdens de presentatie kwam dit helder naar voren. Op de praktijkschool zijn ze leerling-volgend. Er wordt gezocht naar het talent van de leerlingen. 

Er is een onmiskenbaar verschil met het basisonderwijs. Aan het einde van de rit is er geen eindtoets of normen die gehaald moeten worden. Dit zorgt ervoor dat er ruimte is voor eigen inbreng. Speelt er iets in de klas of is er iets thuis gebeurd? Op dat moment krijgt niet de les voorrang maar het kind. 

‘Bewust lesgeven om leerlingen voor te bereiden op het leven’.

Kinderen met een IQ van +- 55 tot 80 bezoeken de Brêge. Dat betekent dat er een groot verschil zit tussen de vaardigheden van de kinderen. Sommigen stromen uit op dagbesteding en de ander stroomt uit met een baan en weer een ander gaat door in het MBO. De Brêge geeft heel bewust les om de kinderen voor te bereiden op het leven. Ze leren koken, eigen verzorging en andere praktische zaken die nodig zijn om goed te kunnen leven.

Alle kinderen hebben een coach en met deze coach bouwen ze een band op. Er zijn gesprekken over de toekomst en over de interesses die het kind heeft. Er is een keuze uit drie sectoren: groen/techniek, economie & handel en zorg & welzijn. De theorie volgt de praktijk. Wordt er soep gemaakt bij het ‘koken’, dan gaan de lessen Nederlands over woorden die met soep te maken hebben. Op jonge leeftijd kiezen is altijd lastig. Daarom mogen kinderen wisselen wanneer ze toch liever in een andere sector zich willen ontwikkelen. 

Het laatste is een voorbeeld waarbij duidelijk naar voren komt, dat het docententeam mee veert met de leerlingen. Natuurlijk zijn er grenzen, maar er wordt wel geluisterd naar wat ze te zeggen hebben. Ze zijn een individu met een mening, die voorbereidt wordt om in de maatschappij mee te draaien. 

‘Humoristische kwinkslag’.

De presentatie heeft iets met ons al toehoorders gedaan. Er is een positiever beeld ontstaan over het Praktijkonderwijs. Er is veel ruimte voor de docenten om zijn of haar eigen gedachtegoed in te brengen. De docent mag aanvoelen wat er nodig is voor een kind en mag hier naar handelen. Je merkt duidelijk aan Cobie, die de docent is, dat ze met plezier lesgeeft aan deze groep kinderen. Ze heeft zo nu en dan een humoristische kwinkslag, maar is ook duidelijk. Cobie beweegt mee met de groep en ziet wat er nodig is. Ze had moeite om de vraag te beantwoorden of er werkdruk is. Natuurlijk is het er net als op ieder ander werk. Doordat er veel stuur bij de docent zelf ligt wordt de werkdruk anders ervaren. 

Helga en Cobie bedankt voor deze interessante avond!

Meindert Tjerkstra
Geschreven door Meindert Tjerkstra
Back To Top